woensdag 4 december 2013

Zó ontroerend..

Ik bevond mij in de kamer. Ik sliep niet, maar ik was ook niet wakker. Er was eigenlijk niets bijzonders te zien in de kamer, behalve dan die grote muur die helemaal vol stond met archiefkasten, van de grond tot aan het plafond. Net als in een bibliotheek was alles netjes gerangschikt per onderwerp in alfabetische volgorde. Maar het was toch anders dan in een bibliotheek, want het leek wel alsof er aan deze kasten geen einde scheen te komen. En de opschriften waren ook heel anders.

Ik liep voorzichtig naar een van de archiefkasten toe en las het opschrift: “Jongens die ik leuk heb gevonden.” Ik trok de lade open en begon door de kaartenbak te snuffelen. Ik duwde de bak snel weer dicht toen ik me met een schok realiseerde dat ik de namen op die kaarten allemaal kende. En toen, zonder dat het me verteld was, wist ik precies waar ik was.

Deze vreemde kamer met al die kaarten en archiefkasten was een bibliotheek waar alle informatie over mijn hele leven was opgeslagen. Hier was alles verzameld wat ik ooit gedaan had. Grote dingen, kleine dingen… alles was er in opgenomen. Een gevoel van verbazing en nieuwsgierigheid maakte zich van mij meester, maar ik voelde ook afschuw terwijl ik hier en daar laatjes begon open te trekken en las wat er op de kaarten stond geschreven. Sommige kaartjes maakten me blij, maar bij andere kaartjes kon ik een gevoel van schaamte en spijt niet onderdrukken en keek ik angstig achterom of er niet iemand stiekem mee zat te lezen.

De lade “Vrienden” zat precies naast een lade waarop stond “Vrienden die ik heb verraden.” Het ene opschrift was nog vreemder dan het andere. “Boeken die ik gelezen heb,” “Leugens die ik heb verteld,” “Troost die ik heb gegeven.” “Grapjes waar ik om heb gelachen.”
Sommige opschriften waren enorm grappig omdat ze precies aangaven waar het om ging. “Dingen die ik heb geschreeuwd tegen mijn broertjes.” Maar andere opschriften brachten bepaald geen glimlach op mijn gezicht: “Alles wat ik uit boosheid heb gedaan.” “Haatgevoelens richting mijn ouders op momenten van woede… ” Het ene opschrift verbaasde me nog meer dan het andere.

Vaak waren er ook veel meer kaarten over een onderwerp dan ik eigenlijk verwacht had en soms waren er minder dan ik gehoopt had. Maar de enorme hoeveelheid kaarten die mijn leven had voortgebracht was overweldigend. Het was toch niet mogelijk dat ik in mijn korte leven zoveel miljoenen kaarten had verzameld? Maar elk kaartje bevestigde de waarheid. Elke kaart was ondertekend met mijn eigen handtekening.

Toen ik de lade “TV-programma’s die ik heb gezien” opentrok, zag ik dat de lade vanzelf in lengte toenam. De kaarten waren heel dicht samengeperst, maar na enkele tientallen meters was het eind van deze lade nog niet in zicht. Ik schoof de lade snel weer dicht en voelde me beschaamd. Niet zozeer omdat ik zoveel TV-programma’s had gezien, maar meer omdat ik me heel goed realiseerde hoeveel verloren tijd er in deze lade zat.

Toen stond ik oog in oog met een opschrift waarop stond: “Door lust ingegeven gedachten.” Een rilling kroop over mijn rug. Ik deed de lade een heel klein beetje open, want ik wilde liever niet zien hoe vol die lade misschien wel zat en trok er een kaartje uit. Wat er op stond was waar en ik werd misselijk. Waarom moest dit in vredesnaam op een kaartje staan? Ik voelde paniek in mij opwellen en ik kon nog maar aan een ding denken: “Niemand, maar dan ook echt niemand mocht deze kaarten ooit te zien krijgen.” Niemand mocht deze kamer bezoeken. Ik moest alles vernietigen. In paniek rukte ik een lade open. Het deed er niet toe hoe lang die lade was. Elk kaartje moest weg. Verscheuren moest ik ze. Verbranden. Maar toen ik probeerde om een kaartje uit de lade te halen en kapot te maken gebeurde er niets. Ik trok er aan en probeerde het in tweeën te breken, maar ik kreeg het er niet uit. Muurvast. Die kaartjes waren sterker dan staal.

Verslagen en ontmoedigd schoof ik de lade weer dicht.

Ik slaakte een diepe zucht en leunde met mijn voorhoofd tegen de muur. Toen viel mijn oog op een opschrift waarop stond: “Mensen wiens geloof ik heb proberen te sterken.” Het handvat was nog bijna nieuw alsof deze lade nog niet vaak gebruikt was. Ik trok er aan en een paar kleine kaartjes werden zichtbaar. Je kon ze op de vingers van een hand tellen. Tranen sprongen in mijn ogen. Ik huilde bittere tranen. De pijn was zo hevig, zij kwam diep vanuit mijn buik. Ik zakte op mijn knieën en huilde met grote schokken. De schaamte was zo groot. Niemand mocht hiervan weten. Niemand. Maar toen ik de tranen van mijn gezicht veegde zag ik Hem opeens staan. Nee! Hij toch niet! Waarom moest Jezus dat nou zien? Ik keek hulpeloos toe terwijl Hij de laatjes begon open te schuiven en de kaartjes begon te lezen. De moed zonk me diep in de schoenen en ik wilde wegkruipen, wegzinken… weg van deze vreselijke plaats.

Toen ik naar Zijn ogen keek terwijl Hij de kaartjes las, zag ik pijn in Zijn ogen, nog heviger dan de pijn die ik zelf voelde. Het leek warempel wel alsof Jezus precies de ergste laatjes opentrok. Waarom moest Hij dat nu lezen? Toen draaide Hij zich om. Hij keek me aan. Zijn ogen stonden vol medelijden, maar het was geen medelijden dat me boos maakte. Ik liet mijn hoofd zakken. Ik bedekte mijn gezicht met mijn handen en begon weer te huilen.
Hij liep naar mij toe en legde Zijn arm om me heen. Hij zou een heleboel hebben kunnen zeggen… van alles, maar Hij zei niets. Helemaal niets. Hij huilde slechts met me mee. Toen stond Hij weer op en liep Hij terug naar de archiefkast. Hij begon aan het einde, trok er een lade uit en begon elk kaartje te ondertekenen. Zijn handtekening over die van mij. “Nee! Nee!” schreeuwde ik.” Dat was alles dat ik kon zeggen. Zijn naam hoorde niet op die kaarten. Maar het stond er al, geschreven met dieprode letters, donker en helder.

De naam van Jezus bedekte de mijne. Geschreven met Zijn bloed. Hij nam de kaart die ik uit Zijn hand getrokken had weer teder terug en met een droeve glimlach begon hij de andere kaarten weer te ondertekenen. Ik denk niet dat ik ooit zal begrijpen hoe Hij het zo snel voor elkaar kreeg, maar voor ik het wist zag ik dat Hij de laatste lade weer dichtschoof en weer op me toeliep. Hij legde Zijn hand op mijn schouder en zei: “Het is volbracht.” Samen liepen we naar buiten. Er zat geen slot op de deur en toen realiseerde ik me opeens dat er nog heel wat kaarten te schrijven zijn…

3 opmerkingen:

  1. Ik ben echt heel ontroerd door dit verhaal. Het is zo heftig, en tegelijk zo mooi en diep!
    Dank je wel.

    BeantwoordenVerwijderen
  2. Wat mooi om hier te lezen! Ik ga het overnemen! Ik heb het ooit als een 'toneelstukje' gezien. Iemand las het voor en iemand anders beeldde het uit, heel indrukwekkend!!

    BeantwoordenVerwijderen

Reacties worden zeker gewaardeerd.